Dorestad

onthuld
achtergronden
beschouwingen

De Gouden Eeuw van Dorestad

Startpagina


De grootste bloei van Dorestad kwam na het aantreden van de Karolingische vorsten, halverwege de achtste eeuw. De tweede helft van die eeuw, tijdens de regeringsperiode van Pippijn de Korte en zijn zoon Karel de Grote, kunnen we dan ook als de 'Gouden Eeuw' van Dorestad beschouwen. De Frankische koningen gaven het handelscentrum een impuls door de handel op allerlei manieren te bevorderen. De bewoners vonden er vooral veiligheid, waardoor permanente vestiging van kooplieden in de hand werd gewerkt.

Rijksgemachtigde
De intermediaire rol van Dorestad tussen de handelssferen van het Maas-Rijngebied en de Noordzeeregio werd in de achtste eeuw onder Frankische hegemonie onverminderd voortgezet. Nog steeds werden er kostbare goederen, zoals sieraden en wapens, glas en luxe aardewerk uitgewisseld. Hooguit verschoof het accent van de handelsproducten meer naar het Rijnland. Toch veranderde met het wegvallen van de Frankisch-Friese grens de positie van de Dorestadhandel. De handelsplaats lag nu niet langer op de scheiding van twee politieke sferen, maar kwam volledig binnen het Frankische Rijk te liggen. De greep van de Friese elite op de handel was weggevallen. Wel bleven Friese kooplieden onverminderd een belangrijke rol in het handelsverkeer spelen. Hun activiteiten konden zich nog meer in Dorestad concentreren nadat Frisia geheel bij het Frankische Rijk ingelijfd was.
Een deel van Frisia wist na de Frankische verovering nog enige zelfstandigheid te behouden. Er werden onder Frankisch regime bijvoorbeeld nog steeds eigen Friese munten geslagen. Dorestad werd daarentegen volledig door de Frankische koning gecontroleerd. We zien dan ook dat Friese sceatta's uit de periode 710-730 nagenoeg ontbreken in de bodem van Wijk bij Duurstede. (1)
Er werd een koninklijke tol ingesteld en net als in de handelshaven Quentovic aan Het Kanaal en in verschillende handelsnederzettingen rond de Noordzee zetelde er een prefect in Dorestad die 'rijksgemachtigde' genoemd werd. (2) Door koninklijke bescherming werd vestiging van handelaren en ambachtslieden in de hand gewerkt. Dorestad werd behalve een handelscentrum ook steeds meer een domein van handwerkers. Daardoor konden seizoengebonden handelsactiviteiten worden aangevuld met de ambachtelijke productie van leerbewerkers, beenbewerkers, houtdraaiers, pottenbakkers, kralenmakers, wevers, ijzersmeden, brons-, zilver- en goudsmeden. In een plaats die zo nauw met de elite verbonden was, kunnen we ook verwachten dat er zwaardenmakers werkzaam waren. (3) De nederzetting had daardoor een permanent karakter gekregen, zoals ook blijkt uit de agrarische activiteiten die 'achter' de nederzetting werden ontplooid. (4)
Dorestad lag dan wel gunstig ten opzichte van het Rijnland, maar Domburg was de meest ideale haven om naar Engeland over te steken en Medemblik had een goede vaarverbinding met de noordelijke kustgebieden en Denemarken. Toch trokken de Franken de profijtelijke handel naar Dorestad, zo gauw ze die in handen kregen, door er een verplichte doorgangshaven van te maken. Zo konden ze de handel concentreren in de voor hen best te controleren plaats. De Frankische machthebbers reduceerden daarmee Domburg, Medemblik en andere havens in het kustgebied tot handelsplaatsen van secundair belang en gaven tegelijk Dorestad een krachtige impuls. De plaats werd de belangrijkste voorhaven van het gebied tussen de Rijn en de Maas, het Ostia van het Frankische kerngebied. Het belang van die koninklijke bemoeienis blijkt wel uit de volledige afwezigheid van handelsknooppunten in het noordelijke terpengebied waar een centraal gezag ontbrak, maar waar wel volop handel was.
Dorestad werd een koninklijke haven die dienst deed als distributiepunt van koninklijke, adellijke en kerkelijke domeinen. De handelshaven had haar bestaan te danken aan en was in handen van de elite en diende ook voornamelijk om de behoefte van diezelfde elite te bevredigen. Desondanks had de elite in deze wereld van handelaren en ambachtslieden weinig te zoeken. Het is tekenend dat de Frankische koningen op hun rondreizen door het rijk Dorestad nooit hebben bezocht. (5) Ze vestigden zich ook niet in handelsplaatsen, maar in paleizen op het platteland. We moeten de plaatselijke elite eerder zoeken in versterkte domeinen, zoals De Geer, dan in de nederzetting Dorestad.

In de loop van de achtste eeuw begon de handel langzaam van karakter te veranderen. Door verbeterde landbouwmethoden kwamen er meer agrarische overschotten vrij. Bovendien werd de agrarische productie met de komst van het hofstelsel meer doordacht georganiseerd. Daardoor werden er naast de traditionele luxe goederen die over langere afstanden vervoerd werden steeds meer gebruiksgoederen verhandeld, zoals agrarische en ambachtelijke producten uit het Frankische kerngebied. Friese ondernemers kochten domaniale producten, zoals graan, wijn en olie van de Franken, terwijl ze vis, zout, textiel, huiden en honing leverden. (6) Bovendien moet de sterk toegenomen ijzerproductie op de Veluwe een belangrijke stimulans voor Dorestad geweest zijn.
Belangrijke indicatoren voor de handel in gebruiksgoederen zijn de houten kuipen of vaten die uit het boven- of middenstroomgebied van de Rijn kwamen en gebruikt werden om vooral wijn te verschepen. In de wijnhandel speelden de Friezen een dominante rol. Ze haalden wijn uit de Elzas, die ze bijvoorbeeld tegen Friese wollen stoffen ruilden. De vaten werden in grote aantallen door gespecialiseerde kuipers vervaardigd. We vinden veel van deze vaten in Dorestad terug waar ze als schachtbekleding in waterputten hergebruikt werden en daardoor diep in de grond de tand des tijds hebben doorstaan.
We vinden er ook heel veel scherven van reliëfbandamforen die als ‘transportverpakking’ voor vloeibare producten, zoals oliën en vetten gebruikt werden. Aardewerk kruiken waren vanouds rond de Middellandse Zee populair om vloeistoffen te vervoeren, in tegenstelling tot de bosrijke gebieden ten noorden van de Alpen waar vooral houten tonnen gebruikt werden.
Typische transportverpakkingen, zoals houten vaten en reliëfbandamforen, worden vrijwel uitsluitend in centra voor de verre handel teruggevonden, terwijl in lokale markten juist veel gebruiksaardewerk voorkomt. Daardoor kunnen archeologen de verschillende soorten markten uit elkaar houden.
Scherven van reliëfbandamforen en andere typen draaischijfaardewerk zijn de voornaamste overblijfselen van de verre handel die we terugvinden, want veel goederen die door de handen van kooplieden gingen, zoals graan en andere landbouwproducten, hebben nauwelijks archeologische sporen nagelaten. We kennen deze handelswaar voornamelijk uit schriftelijke bronnen.
Dat geldt ook voor slaven. Uit historische bronnen weten we dat er een levendige mensenhandel bestond. Slaven werden over zee aangevoerd, meestal als krijgsgevangenen uit Ierland en Engeland. Of ze kwamen over land uit de Slavische gebieden in Oost-Europa. Via handelsplaatsen, zoals Hedeby, Mainz en Verdun, werd de aaneengeklonken handelswaar via Lyon, Marseille en Narbonne naar het zuiden getransporteerd en aan Joodse of Arabische kooplieden doorverkocht. We komen al aan het begin van de achtste eeuw in Londen een Friese koopman tegen die op de markt een slaaf had gekocht. Gezien de centrale positie die Dorestad in het internationale handelsnetwerk had, is het aannemelijk dat deze plaats ook een rol in de slavenhandel heeft gespeeld.
Een voorbeeld van vergankelijke handelswaar die we uit schriftelijke bronnen kennen is bijenwas die voor kaarsen en schrijftabletten gebruikt werd. Op de grotere Karolingische landgoederen waren voor de productie van was gespecialiseerde imkers aangesteld. Zij worden in koninklijke voorschriften en in kerkelijke charters genoemd, maar van hun producten is niets teruggevonden.
Ook zout was een veel verhandeld product waar niets van teruggevonden wordt. Moerzout werd in het kustgebied uit zouthoudend veen gewonnen, veen dat met zeewater doordrenkt was. Het was een ambacht in onze streken waar de klassieke auteur Plinius de Oudere al melding van maakte. Zout was van groot belang als conserveringsmiddel voor het inzouten van vis en vlees.
De meest gebruikte grondstof waarvan maar weinig wordt teruggevonden, is echter hout. Als bouwmateriaal en als grondstof voor allerlei gebruiksvoorwerpen was hout heel belangrijk, zo niet hét belangrijkste materiaal in de vroege middeleeuwen. Want heel veel werd van hout gemaakt, van gereedschappen tot huizen, van huisraad tot schepen. Zelfs ploegen waren meestal van hout, ook al waren die daardoor zeer kwetsbaar en snel versleten. Hout is een vergankelijk materiaal. Bovendien werden versleten of onbruikbaar geworden houten spullen gewoon in het haardvuur gegooid. Archeologen vinden in de meeste gevallen dan ook niet veel meer terug dan verkleuringen op de plaats waar eens de houten posten van een gebouw in de grond waren gegraven.
In de bodem vinden we, naast aardewerk, vooral minder vergankelijke materialen, zoals natuursteen, been en soms ook metaal. Toch maakten die maar een beperkt deel van de verhandelde goederen uit. Het is dan ook lastig om aan de hand van archeologische vondsten een beeld van het handelsverkeer te krijgen. Wel valt daarbij op dat van de teruggevonden importen, zoals draaischijfaardewerk, glazen vaatwerk, maalstenen van basaltlava en kalkstenen vijzels, verreweg het grootste gedeelte uit het Duitse Rijnland en in mindere mate uit het Maasgebied afkomstig is. Dorestad was duidelijk hét entrepot van Rijnlandse waren die in westelijke en noordelijke richting verhandeld werden. (7)
Langs de Maas waren naast edelsmeden en glasblazers ook pottenbakkers actief, maar de grootste centra bevonden zich in het stroomgebied van de Midden-Rijn. Daar werd draaischijfaardewerk, zoals het alom befaamde Badorftype geproduceerd, dat we tot ver in Scandinavië terugvinden. Het van de Romeinen overgenomen draaischijfaardewerk is typisch voor de Franken, terwijl de Friezen en de Saksen ten noorden van de Rijn handgevormd aardewerk produceerden.
Er werden jaarlijks duizenden potten uit het Rijnland geïmporteerd. Een deel daarvan werd ter plaatse gebruikt om uiteindelijk als scherven in de bodem te belanden – vooral kookpotten gingen niet erg lang mee. Gebruiksaardewerk voor huishoudelijke activiteiten, zoals kookpotten en voorraadpotten, maken dan ook bijna 85% van de scherven uit. (8) Slechts een klein deel kan als transportverpakking worden beschouwd dat tijdens het verladen sneuvelde, zoals een verhoogde concentratie scherven in de noordelijke havenzone doet vermoeden. Schattingen van alleen al het totaal aantal potten in het opgegraven deel van Dorestad variëren van 90.000 tot 450.000 stuks. (9) De meeste potten werden met succes naar andere afzetgebieden verscheept en hebben dan ook geen sporen in Dorestad nagelaten. Die zijn in de tellingen dus niet eens meegerekend!

Gaandeweg maakten landbouwopbrengsten en ander bulkgoederen het grootste deel van de handel uit, want de traditionele kostbare handelsgoederen bepaalden maar een bescheiden deel van het handelsvolume. (10) Het is daarbij nauwelijks denkbaar dat kooplieden gevaarlijke overzeese reizen ondernamen om relatief laagwaardige gebruiksgoederen te vervoeren. Het ligt meer voor de hand dat de handel daarin een regionaal karakter had. Regionale ontwikkeling werd niet in de laatste plaats gestimuleerd door het toenemende belang van de Utrechtse kerk. Die werd niet alleen zelf een belangrijke afnemer van handelsproducten, ook de agrarische opbrengsten van de omvangrijke kerkelijke domeinen droegen in niet geringe mate bij tot de handelsactiviteiten in Dorestad.
Aanvankelijk kon Dorestad als grensplaats nauwelijks een regionale functie gehad hebben. Daar was door volledige opname in het Frankische Rijk echter verandering in gekomen. De regionale handel werd dan ook een groeiende economische factor waar de bedrijvigheid van Dorestad steeds meer op dreef. Zo kreeg de haven een dubbele functie als distributiecentrum van luxe goederen en als overslagplaats van gebruiksgoederen. (11)
Centra die vooral op de verre handel gericht waren, ontstonden op plaatsen die niet noodzakelijkerwijs een eigen verzorgingsgebied hadden, een nabijgelegen achterland waarmee producten konden worden uitgewisseld. In onze streken zijn Domburg en Medemblik daar duidelijke voorbeelden van. Deze handelshavens hadden nauwelijks een verzorgende functie voor hun directe omgeving en waren daar dan ook niet diep in geworteld. Je zou ze kunnen beschouwen als commerciële bolwerken in een agrarische wereld. In zekere zin gold dat ook voor Dorestad, zoals blijkt uit het grotendeels ontbreken van gedraaid importaardewerk in nederzettingen in de wijde omgeving. (12) Maar met de opkomst van de regionale handel in agrarische goederen van grootgrondbezitters, zoals de Utrechtse kerk, ontstond er voor Dorestad toch een beperkt verzorgingsgebied.

Met de toename van het handelsverkeer in de Rijndelta en door factoren zoals de directe koninklijke bemoeienis had het gunstig gelegen Dorestad economisch de wind mee. Het ontwikkelde zich tot een plaats waar de handel bloeide als nooit tevoren. Daardoor groeide de bescheiden ontmoetingsplaats uit tot een van de voornaamste handelshavens van het Frankische Rijk. In de dagen van Karel Martel en zijn opvolgers was Dorestad dan ook booming. De tweede helft van de achtste en het eerste kwart van de negende eeuw kunnen we als de Gouden Eeuw van Dorestad beschouwen. Deze viel samen met wat ook wel de Karolingische vrede genoemd wordt, een periode waarin er voorspoed en relatieve rust binnen het Frankische Rijk heerste.
De kooplieden konden al lang niet meer volstaan met alleen maar een simpele ontmoetingsplaats. Ze kwamen met schepen vol goederen die ze tijdelijk moesten opslaan. Hun vaartuigen moesten worden afgemeerd en de bemanning had een onderkomen nodig in afwachting van een nieuwe vracht, het juiste vaarseizoen of de samenstelling van een konvooi. Bovendien vergde de formele afhandeling van de havenautoriteiten veel tijd.
De havenconstructies in het noordelijke handelskwartier begonnen zienderogen te groeien. Dit gebied op de linker oeverwal van de Kromme Rijn, dat al halverwege de zevende eeuw werd bewoond, werd steeds intensiever benut. Dorestad ontplooide zich tot een van de belangrijkste Frankische emporia, overslagplaatsen waar goederen tijdelijk in depot konden worden gehouden. Het vroegmiddeleeuwse begrip emporium dat al in de klassieke oudheid in zwang was, moet echter ruim opgevat worden. Tegenwoordig worden emporia door historici vooral als regionale centra gezien. (13) Ook het onbeduidende Witla aan de Maasmonding werd zo genoemd toen het in de negende eeuw door Noormannen geplunderd werd. (14)
Niet alleen in handelscentra, maar ook in andere plaatsen, zoals agrarische nederzettingen, wisselden goederen van eigenaar. Toch hadden overslagplaatsen van producten voor de regionale en verre handel een wezenlijk andere functie dan de overal voorkomende lokale marktplaatsen die slechts een rol als centrum van plaatselijke bedrijvigheid speelden. De omvang en de aard van de handelswaar van emporia was vergelijkbaar met die van jaarmarkten zoals van Saint-Denis bij Parijs, maar de handelsactiviteiten bleven niet beperkt tot de paar weken die jaarmarkten gewoonlijk duurden. Die vonden daarentegen het hele vaarseizoen plaats, ongeveer van begin maart tot begin november, en in een geringere omvang ook buiten het seizoen.
De nieuwe centra fungeerden als gateway cities, etappe- of overslagplaatsen voor de langeafstandshandel, als knooppunten in een handelsnetwerk. Daarom worden ze hier liever met het begrip handelsknooppunt dan met het nogal vage emporium aangeduid. Deze knooppunten waren centrale ontmoetingsplaatsen waar kooplieden van de verre handel elkaar troffen en verbindingen in hun maritieme netwerk onderhielden. De verhandelde goederen kwamen allemaal uit hetzelfde handelsnetwerk voort en worden dan ook in alle knooppunten binnen dat netwerk teruggevonden.
Handelsknooppunten lagen op territoriale grenzen waar handelaren moesten stoppen omdat er goederen overgeslagen of tolformaliteiten afgehandeld werden. Daardoor ontwikkelden deze zich tot logische markt- en pleisterplaatsen, een ontwikkeling die nog eens door regelgeving rond tolheffing en marktrecht versterkt werd. Als tolhaven behield Dorestad een grenskarakter. Quentovic en Dorestad waren de enige noordelijke koninklijke tolhavens van het Frankische Rijk. Terwijl Quentovic op Neustrië en de Engelse Kanaalkust georiënteerd was, richtte de verre handel van Dorestad zich voornamelijk op het Rijn-Maasgebied en de Noordzeeregio. De handelsnetwerken van beide centra overlapten elkaar dan ook nauwelijks.
Verschillende koninkrijken rond de Noordzee namen het concept van deze Frankische handelsknooppunten over. De stichters van plaatsen zoals Gipeswic (Ipswich), Ribe, Hedeby en Kaupang lieten zich door Dorestad inspireren. Het waren havenplaatsen aan de rand van een politieke invloedssfeer waar goederen werden overgeslagen. (15) Ribe kan worden opgevat als een Noord-Friese stichting uit de vroege achtste eeuw nabij de Deense grens. Hedeby werd gesticht in het vage overgangsgebied tussen Denen, Slaven, Saksen en Friezen, maar werd aan het begin van de negende eeuw door de Deense koning ingelijfd. De plaats gold toen als dé overslaghaven voor de langeafstandshandel met het Oostzeegebied. In Hedeby vinden we in grote aantallen scherven van Rijnlands keramiek, terwijl die verder in Scandinavië maar sporadisch voorkomen.
Handelscentra hadden naast een economische ook een belangrijke sociale betekenis. Het waren ontmoetingsplaatsen met een maatschappelijke functie. Ze lagen als oorden van relatief intensieve bewoning en civilisatie in een landelijke omgeving. We kunnen er behalve kooplieden, handelsagenten, varensgasten en handwerkers allerlei volk van diverse pluimage verwachten, zoals rondtrekkende geestelijken, gezanten, prostituees, avonturiers en allerlei kunstenmakers. Een handelscentrum was meer dan zomaar een haven met opslag- en opvangfaciliteiten waar kooplieden zich voor kortere of langere tijd vestigden.
Voor de machthebbers waren handelsknooppunten tegelijk vensters op een andere wereld. Handelsnetwerken maakten geen deel uit van bestuurlijke netwerken, maar moesten wel aansluiten bij de politieke ambities van de heersende bovenlaag. Daarom ontbraken er grote handelscentra in het noordelijke terpengebied waar centraal gecontroleerde langeafstandshandel moeilijk te realiseren was omdat er eenvoudigweg een centraal gezag ontbrak. Handelsknooppunten waren dan ook met de bestuurlijke elite verweven, ook al is er lang gedacht dat die niet erg solide in het staatkundige bestel van het Frankische Rijk verankerd waren. De opkomst ervan was ook in het belang van feodale landeigenaren die van de handel wilden profiteren. Want niets was zo lucratief als een marktplaats in hun eigen achtertuin.

Halverwege de achtste eeuw keerde Bonifatius terug naar het Friese missiegebied waar hij eerder niets had kunnen uitvoeren. Hij wilde in Frisia een bisdom inrichten met Utrecht als zetel, maar vond daarbij de aartsbisschop van Keulen op zijn weg die zich op oude rechten kon beroepen en terecht stelde dat Utrecht tot het diocees Keulen behoorde. (16) Hoewel Bonifatius bij de Frankische heersers hoog stond aangeschreven, kreeg hij onvoldoende steun om zijn plan door te drukken. Na zijn dood in 754 werd het Utrechtse missieklooster dat hij onder zijn hoede had genomen, onder gezag van Keulen gesteld. Toch zou de energieke steun die Bonifatius de Utrechtse kerk had geboden zijn vruchten afwerpen. Op voordracht van de prelaat had koning Pippijn de Korte de immuniteit van alle landgoederen van de Utrechtse kerk bevestigd. (17) Dat betekent dat al deze kerkelijke goederen gevrijwaard waren van wereldlijke belastingheffing en aan de gewone rechtspraak onttrokken werden. Ze vormden daardoor fiscale en juridische enclaves binnen het ambtsgebied van de graaf. De inwoners van deze zones stonden rechtstreeks onder bescherming van de kerk. Er gold een verbod voor koninklijke gerechtsambtenaren om deze gebieden te betreden en er recht te spreken, vonnissen ten uitvoer te leggen of andere dwangmaatregelen toe te passen. De kerk stelde hier zelf een advocatus, een voogd, aan die degenen kon berechten die onder voogdijschap van de kerk stonden.
De verleende immuniteit kreeg een bijzondere betekenis toen de koning op nadrukkelijk verzoek van Bonifatius nog een ander privilege van de Utrechtse kerk bevestigde. En dat betrof het recht op een tiende deel van alle domaniale opbrengsten van het koninklijke bezit in het oorspronkelijke Friese missiegebied. (18) Dat recht zou al door Pippijns voorgangers aan de Utrechtse kerk verleend zijn, maar vermoedelijk heeft Bonifatius onechte stukken aan de koning voorgelegd om zijn argumenten kracht bij te zetten.
Met de uitdrukkelijke vermelding in het tiendprivilege van tolgelden en belastingen op de handel moet speciaal Dorestad bedoeld zijn, het enige handelscentrum in Frisia waar een koninklijke tol was. In deze plaats kunnen we ook bij uitstek het volk verwachten dat volgens de oorkonde nog tot de christelijke leer bekeerd moest worden of anders in de leer gesterkt diende te worden.
Van alle opbrengsten die de koning aan de Utrechtse kerk schonk, waren die uit de handel voortkwamen het belangrijkste. Het is dan ook geen toeval dat we in verschillende koninklijke bevestigingsoorkonden uit de achtste en negende eeuw expliciet Dorestad vermeld vinden. (19)
In het tiendprivilege van Pippijn de Korte ging het zuiver om een aandeel in de koninklijke opbrengsten. Het betrof dus geen geografische demarcatie van een deel van de koninklijke domeinen. Nadien lijkt er wel sprake te zijn van een echte territorialisering van koninklijke opbrengsten, waarbij de koning het tiendprivilege omzette in afgebakende gebieden op de rivieroevers in Dorestad. Dat is tenminste de indruk die we krijgen uit een oorkonde van Lodewijk de Vrome uit 815 die teruggrijpt op oorkonden van zijn voorgangers Pippijn de Korte en Karel de Grote. (20) Als dat zo is, dan ontving de kerk de volledige opbrengst van de als handelszone op te vatten gebieden. Het recht op een tiende van de opbrengsten werd zo feitelijk het bezit van het tiende deel dat de Utrechtse kerk zelf begon te exploiteren.

Norse Robert
Het Frankische Rijk bereikte zijn grootste expansie tijdens het bewind van Karel de Grote. Hij was een krachtige leider en de meest markante persoonlijkheid van zijn dynastie die we naar zijn grootvader Karel Martel de Karolingen noemen. De herinnering aan Karel de Grote zou in latere eeuwen legendarische proporties aannemen. In de twaalfde eeuw werd hij zelfs heilig verklaard.
Net als zijn voorgangers zag Karel in dat de verspreiding en de verankering van het christendom binnen zijn rijk hem politiek voordeel bracht. In navolging van zijn vader sloot hij daarom een verbond met de curie in Rome. In 800 liet hij zich door de paus tot keizer van het 'hernieuwde Romeinse Rijk' kronen. Als keizer werd Karel de belangrijkste hoeder van het christendom. Steun aan de kerk was dan ook een belangrijke pijler van zijn beleid. Ook de Utrechtse kerk heeft hij met kracht gesteund. Nog geen half jaar na de dood van zijn vader in 768 bevestigde hij het tiendprivilege van zijn voorgangers. (21) Daar is het echter niet bij gebleven. Karels steun komt in het bijzonder tot uiting in een schenkingsoorkonde die hij in 777 uitvaardigde om de materiële basis van de Utrechtse kerk te versterken. Daarin deed hij een omvangrijke schenking aan de Upkirika, de aan Sint-Maarten gewijde Bovenkerk in Dorestad. De schenking aan de Bovenkerk was indirect bestemd voor de Utrechtse kerk, zoals ook uit het geheel van de oorkonde is op te maken en bovendien uit een latere opsomming van kerkelijke goederen blijkt. (22)

Tevens schenken wij aan de kerk van Sint-Maarten die stroomopwaarts van Dorestad is gebouwd en de Bovenkerk wordt genoemd, honderd roeden land, namelijk geheel er omheen, zodat de genoemde kerk te allen tijde over een terrein van honderd roeden zal beschikken, met daarbij het oeverrecht langs de Lek en de waard bij die kerk aan de oostzijde tussen de Rijn en de Lek.
(uit: Oorkonde van Karel de Grote van 8 juni 777) (23)

Deze kerk wordt in de oorkonde stroomopwaarts van Dorestad gesitueerd, van het noordelijke handelskwartier welteverstaan. De volkse naam Upkirika, Bovenkerk, geeft dat ook al aan.
Behalve de Bovenkerk schonk de koning de waard tussen de Rijn en de Lek, ten oosten van de kerk, die blijkbaar buiten de honderd roeden land viel waarvan in de oorkonde melding wordt gemaakt. We kunnen hieruit opmaken dat het splitsingspunt van beide rivieren oostelijk van Dorestad gezocht moet worden.
Ten slotte kreeg de Bovenkerk het ripaticum, het oeverrecht langs de Lek in handen. Het oeverrecht, of aanleggeld, was een belasting die in veel handelscentra in het Frankische Rijk op het afmeren bij een aanlegplaats werd geheven. (24) Helaas is er van enige activiteit of bebouwing op een voormalige Lekoever nooit iets teruggevonden.
De aanwezigheid van een Bovenkerk doet een Benedenkerk vermoeden. Het bestaan daarvan ligt voor de hand, want de exploitatie door meerdere partijen – de koning, de Utrechtse kerk, plaatselijke edelen en misschien ook de Keulse kerk – werkte verdeling van Dorestad in verschillende zones in de hand. Met de ontwikkeling van een zelfstandige noordelijke handelswijk apart van de oude kern was er in ieder geval een tweedeling ontstaan. In analogie kunnen we, zoals door Dekker geopperd, de afzonderlijke delen van het conglomeraat Dorestad aanduiden als de 'Bovenstad' en de 'Benedenstad' in de betekenis van stroomopwaarts respectievelijk stroomafwaarts gelegen. (25) De Bovenstad moeten we dan als de oude kern bij het castellum en de Benedenstad als de noordelijke handelswijk duiden. Mogelijk is de naam van de Nederhof aan de Markt in Wijk bij Duurstede terug te voeren op het stroomafwaarts gelegen deel van Dorestad.

In een gedicht van de Angelsaksische geestelijke Alcuin uit het einde van de achtste eeuw figureert het wereldse Dorestad als een plaats die je als geestelijke maar beter kon mijden:

Hijs van hier je zeilen, vlucht
En laat Dorstada achter.
Je hebt niet het geluk
Dat norse Robert
Je een gastvrij dak biedt.
En de gierige koopman
Houdt niet van je lied.
(26)

Het valt op dat de plaats van norse Robert en de gierige koopman hier als Dor[e]stada gespeld wordt, dat we als het meervoud van de Latijnse vorm van Dorestad kunnen lezen. Hieruit blijkt dat ook Alcuin Dorestad als een concentratie van meerdere kernen beschouwde. Voor de namen van de vroegmiddeleeuwse handelshavens Quentovic en Walacria (Domburg) werd in enkele gevallen eveneens een meervoudsvorm gebruikt. (27) Walacria was behalve een handelsnederzetting ook een garnizoensplaats met een koninklijke vertegenwoordiger. Een dergelijke tweedeling treffen we ook aan in de Engelse handelsnederzettingen Hamwic (Southampton), Lundenwic (Londen) en Eoforwic (York), plaatsen met een duidelijk te onderscheiden handelswijk en een versterkt bestuurscentrum.
In Dorestad waren de verschillende delen met elkaar verbonden door een doorgaande ‘havenweg’ op de oeverwal langs de linkeroever van de Rijn. Van deze weg zijn alleen in het noordelijke havengebied resten teruggevonden, ongeveer op de plaats waar tegenwoordig de Hoogstraat te vinden is. Deze havenweg liep in de richting van een omvangrijk grafveld dat ten noorden van de nederzetting is aangetroffen in de uitbreidingswijk ‘De Geer II’. (28)

Dorestad beleefde inmiddels economische hoogtijdagen en had zich tot een van de voornaamste rijkstollen van het Frankische Rijk ontwikkeld. Daar waren er wel meer van, maar van deze tolplaatsen was alleen Dorestad ook nog eens een omvangrijke muntplaats. Het was in de tweede helft van de achtste eeuw samen met Melle in Zuidwest-Frankrijk, waar belangrijke zilvermijnen te vinden waren, zelfs de grootste muntplaats van het Frankische Rijk. (29) Bij een commercieel centrum van een dergelijk gewicht stak het kerkelijke Utrecht maar pover af.
Ondanks alles waren de wereldlijke en kerkelijke functies niet helemaal strikt tussen Dorestad en Utrecht verdeeld. Bonifatius eerde God de Heer in Dorestad. (30) Achterin een oud Italiaans handschrift dat door de geestelijke Gerward aan de proosdij te Gendt in de Betuwe was nagelaten, de zogenoemde Liviuscodex, was in de achtste eeuw een aantekening geschreven die met enige moeite als een ex libris van bisschop Theutbertus van Dorestad kan worden opgevat: ‘dit boek is van Theutbertus, bisschop van Dorestad’. (31) Als dat er echt staat, dan verwees hij liever naar het vermaarde Dorestad dan naar het voor velen onbekende Traiectum. Deze geestelijke moet zich dan onmiskenbaar met de handelsplaats verbonden hebben gevoeld. In weerwil van de formele terughoudendheid van de kerk bleef Dorestad met een toestroom van heidense vreemdelingen een logisch werkterrein voor de missie.
Hoewel de geestelijkheid zich fors afzette tegen het in hun ogen minderwaardige koopliedenvolk, bleef de Utrechtse kerk nauw bij Dorestad betrokken. Utrecht en Dorestad waren twee tegenpolen die nauwelijks buiten elkaar konden. Wat ligt er dan meer voor de hand dan de mercantiele, bestuurlijke en kerkelijke functies te combineren? Goed beschouwd is dat ook gebeurd, want we kunnen Utrecht en Dorestad als een functionele eenheid met een kerkelijke en een wereldlijke kwaliteit zien.
De Utrechtse geestelijke Liudger zinspeelde er al op dat Utrecht en Dorestad als een geheel beschouwd werden door beide plaatsen in één adem binnen het bestuursgebied van abt Gregorius op te sommen. In tweede instantie noemde hij pas de omliggende streek en Frisia. (32) Een parallel vinden we in Maastricht, de plaats waar muntmeester Madelinus vandaan kwam. Deze vormde een eenheid met het nabijgelegen Tongeren. In Maastricht concentreerden zich bestuurlijk-commerciële activiteiten, terwijl Tongeren het bisschoppelijke centrum was. Aan het begin van de zesde eeuw werd de bisschopszetel naar Maastricht verplaatst, waarmee de verschillende activiteiten in deze plaats samengebracht werden en Tongeren veroordeeld werd tot een kwijnend bestaan. In veel plaatsen zien we beide functies binnen dezelfde nederzetting verenigd, zoals in de Engelse plaatsen Londen en York, zij het dat de kerkelijke en administratieve functies binnen een – vaak Romeinse – ommuring en het mercantiele gedeelte vlak daarbuiten was gesitueerd.


Plaats zonder heilige
Het privilege van Karel de Grote uit 777 was niet alleen een steunbetuiging aan de Utrechtse kerk, maar ook een noodzakelijke stap om zelf een vinger in de pap te houden. Want het is aannemelijk dat de lokale elite door groeiende regionale macht steeds meer greep op het handelsverkeer kreeg ten koste het centrale gezag. Die uitdijende macht van plaatselijke potentaten is voor ons weliswaar pas in de late negende eeuw zichtbaar met de opkomst van eigenzinnige potentaten, zoals Gerulf in het westelijke kustgebied en Boudewijn in Vlaanderen, maar zal in de achtste eeuw al een rol hebben gespeeld. Ook in Dorestad moest de koning hen het hoofd bieden. Vermoedelijk om hun macht binnen de perken te houden, betrok hij de Utrechtse kerk, steeds trouw aan het centrale gezag, bij de exploitatie van Dorestad.
De kracht van plaatselijke machthebbers blijkt al uit de voor vorst en kerk ongewenste scheiding van het wereldlijke Dorestad en het kerkelijke Utrecht. Nog voor de ontwikkeling van Dorestad tot een belangrijk handelsknooppunt was Utrecht als kerkelijk centrum gekozen. Daarbij had Bonifatius een voorname, zo niet doorslaggevende rol gespeeld. Toen hij Dorestad aan het begin van de achtste eeuw bezocht, moet hij hebben vastgesteld dat de invloed van de elite al te groot was om er nog een machtspositie voor de Utrechtse kerk van betekenis op te kunnen bouwen. Bovendien zal de Keulse bisschop – bepaald geen vriend van Bonifatius – er rechten hebben doen gelden. Misschien is dat de reden dat Bonifatius wel kerken in Woerden, Attingahem en Velsen stichtte, maar niet in Dorestad.(33) Het is ook verklaarbaar waarom hij zich halverwege de achtste eeuw liever op Utrecht richtte, ook al had die plaats na de Frankische verovering haar strategische betekenis verloren en stelde het nog maar weinig voor.
De tegenstelling tussen Utrecht en Dorestad zou voor de ontwikkeling van beide plaatsen lange tijd een belangrijke rol spelen. De scheiding van functies was door het snel groeiende belang van Dorestad – achteraf gezien – een ongelukkige keuze.
Bronzen Karolingische sleutel met een typerende kruisvorm in zowel het heft als de baard.

Door de opkomst van Utrecht als kerkelijk centrum heeft Dorestad nooit een belangrijke religieuze betekenis gehad. Er zijn dan ook vrijwel geen objecten gevonden die in een christelijke context geplaatst kunnen worden. De aangetroffen natuurstenen sarcofagen en de oost-west begravingen zeggen meer over contacten met de Karolingische wereld dan over het geloof van de eigenaar. Er bevonden zich weliswaar enige (parochie)kerken in de handelsnederzetting, maar er waren geen bijzondere cultusplaatsen of relieken te vinden. Ook ontbreken beschrijvingen van mirakelen die als promotie van een cultusplaats kunnen worden beschouwd. Alleen in de Vita Dagoberti figureert Dorestad als de plaats waar Bonifatius een wonder verricht. Deze is echter in de tiende eeuw na de ondergang van het handelsknooppunt geschreven en kan als propaganda geen betekenis meer hebben gehad. Dorestad was - net als de handelshaven Quentovic - een plaats zonder beschermheilige. Waarschijnlijk was dat niet zonder reden, omdat een overdaad aan christelijk religieus vertoon heidense handelspartners kon afschrikken. Dat was anders in de meeste marktplaatsen binnen het Frankische Rijk waar vaak relieken van heiligen te vinden waren die bedevaartgangers van heinde en verre aantrokken. Een mooi voorbeeld daarvan is de jaarmarkt van Sint-Denis bij Parijs die een paar weken in juni tot de naamdag van Johannes de Doper werd gehouden. In Tiel en Deventer, plaatsen die de handelsfunctie van Dorestad overnamen, werden relieken van Walburga en Lebuïnus vereerd, heiligen die op de handel toezagen. (34) Maar Dorestad moest vóór alles een neutrale grensfunctie behouden waar verschillende culturen zich thuis konden voelen. Mogelijk is die neutraliteit ook de reden waarom het recht in de rivierendelta, de Ewa ad Amorem, niet in Dorestad gold. Het is in dit verband ook opmerkelijk dat er in de bodem van Wijk bij Duurstede zeer weinig objecten zijn gevonden die op een christelijke leefwijze duiden. Geestelijken voeren dan ook liever aan Dorestad voorbij, zoals Alcuin het uitdrukte. Zij hebben Utrecht eeuwenlang als hét belangrijke kerkelijke centrum afgeschilderd en Dorestad vaak geheel verzwegen. Het moet hen hebben gestoken dat het aardse Dorestad zich tot een plaats van betekenis had ontwikkeld die het kerkelijke Utrecht geheel overvleugelde. Veelbetekenend is wat dat betreft de plaatsbepaling van de Utrechtse Sint-Maartenskerk die zich volgens de oorkonde van Karel de Grote uit 777 stroomafwaarts van Dorestad bevond. Blijkbaar werd in Frankische hofkringen een nadere aanduiding van Utrecht ten opzichte van de vermaarde handelsplaats noodzakelijk geacht.

Reliëfbandamforen werden gebruikt om vloeibare producten, zoals oliën en vetten te vervoeren. De vele teruggevonden scherven in het havengebied van Dorestad maken duidelijk dat ze tijdens het verladen nog wel eens sneuvelden.

Wel of geen burcht?
Karel de Grote bepaalde dat de Utrechtse kerk over een uitgebreid terrein rond de Bovenkerk van honderd perticas (roeden) kon beschikken. (35) Er is wel verondersteld dat er ruimte werd gereserveerd om er een gemeenschap van geestelijken te huisvesten. (36) Een al te nadrukkelijke aanwezigheid van de geestelijkheid in Dorestad paste echter niet in het beleid van de Karolingische machthebbers. Er is dan ook niets dat op de aanwezigheid van zo’n kerkelijk college wijst.
Als een pertica gelijk is aan de oude roedemaat van tien voet – en dat is allerminst zeker – dan moet de Utrechtse kerk vrijwel de hele oude kern van Dorestad in handen hebben gekregen. Dan is het aannemelijk dat we daarbij de burcht moeten rekenen, ook al is er van de ligging en de grootte niets bekend. We zouden kunnen afgaan op de afmetingen van andere Romeinse forten langs de voormalige Romeinse limes, maar daarmee hebben we niet meer dan een vingerwijzing. Toch is er in de oorkonde geen sprake van de burcht zelf. Die zou zeker onder de geschonken goederen zijn vermeld. Dat is ook het geval met de burchten van Utrecht en Vechten die in 723 aan de Utrechtse kerk waren overgedragen. (37) Juist in het castellum van Dorestad moeten we het administratieve centrum van de koninklijke vertegenwoordiger zoeken, dat vanzelfsprekend, net als de sterkte zelf, buiten de schenking was gehouden. Nu was het eerder regel dan uitzondering dat er een kerk binnen een voormalige Romeinse burcht werd gebouwd, zoals dat bijvoorbeeld ook in Utrecht het geval was. Daarom ligt het voor de hand dat de Bovenkerk in Dorestad eveneens binnen de burcht was opgetrokken. In dat geval moet de koninklijke vertegenwoordiger de sterkte met de Utrechtse kerk hebben gedeeld.
Toch kunnen we niet uitsluiten dat er van het Romeinse castellum in de Karolingische periode geen muur meer overeind stond. Want sinds de dagen van Pippijn van Herstal vernemen we helemaal niets meer van een sterkte. Mogelijk was deze in de eerste helft van de achtste eeuw al aan riviererosie ten prooi gevallen. Volgens het privilege van Karel de Grote lag de Bovenkerk stroomopwaarts van Dorestad, waarmee impliciet werd aangegeven dat er bij de kerk zelf geen noemenswaardige nederzetting meer te vinden was.

Dorestat en Dorestad
Opvallend in de oorkonde van Karel de Grote uit 777 is het verschil in spelling tussen Dorestat met een ‘t’ en Dorestad met een ‘d’: ‘het oude Utrecht stroomafwaarts van Dorestat’ en ‘de Sint-Martinuskerk die stroomopwaarts van Dorestad gebouwd is en Bovenkerk genoemd wordt’. Dat was geen toevallige verschrijving, want diezelfde dubbele schrijfwijze vinden we ook op munten uit deze periode, met aan de ene zijde Karels naam CAROLVS en op de keerzijde de naam van de muntplaats in beide spellingvarianten DORSTAT of DORSTAD.
Naast de oorspronkelijke spelling van de naam Dorestat, die alleen betrekking kan hebben gehad op de oude kern, kwam blijkbaar het alternatief gespelde Dorestad in zwang waarmee dan speciaal de noordelijke uitbreiding moet zijn bedoeld. (38) We vinden de nieuwe spelling met een ‘d' vanaf het laatste kwart van de achtste eeuw. De oude naam met een ‘t’ ging echter niet geheel verloren. (39)
Er is wel geopperd dat men het tweede deel van de naam als een stade is gaan beschouwen, als de oplopende oever van een rivier, zoals die in de noordelijke haven te vinden was. In dat geval zouden we echter de spelling Dorestathe moeten terugvinden, een variant die volledig ontbreekt. (40)
Oppervlakkig gezien lijkt de naamsverandering op de algemeen voorkomende medeklinkerverschuiving waarbij de th- een d- werd, maar deze trad pas op nadat Dorestad allang van het toneel verdwenen was. Een voorbeeld van deze klankverschuiving vinden we bij het nabij gelegen Thorhem dat in de volle middeleeuwen in Doorn veranderde. (41)

Oeverrecht
De Frankische koningen hadden het gebruiksrecht van alle belangrijke binnenwateren. Uit dit stroomregaal vloeiden allerlei rechten voort die met het gebruik van waterwegen te maken hadden. Vooral de grote rivieren genereerden daardoor veel inkomsten voor de fiscus. Dat is dan ook de reden dat de Frankische koningen deze rechten niet graag uit handen gaven. Bij ons is naast het visrecht, het ripaticum, het oeverrecht, de bekendste heffing die met binnenwateren te maken had. Dat was een soort van havenbelasting die schippers moesten afdragen als ze in handelsplaatsen afmeerden. Karel de Grote schonk in 777 het oeverrecht van de Lek in Dorestad aan de Utrechtse kerk.

Kling van een laat-Karolingisch zwaard met in niëllotechniek aangebrachte merktekens waarvan de betekenis onduidelijk is, gevonden In de buurt van Rijswijk (G)

Handelsnetwerk
De handelsroutes tussen de belangrijkste markten die door de verre handel ontstonden, maakten deel uit van een handelsnetwerk dat voornamelijk gevormd werd door waterwegen, zoals kustwateren, rivieren en meren. (zie het kaartje onderaan deze pagina) In onze streken stroomden enkele grote rivieren, zoals de Rijn, de Maas en de Schelde die tot diep in het achterland bevaarbaar waren. Via binnenwateren, zoals de Utrechtse Vecht, het Almere, de Waddenzee – en vanaf de zevende of achtste eeuw ook de Gelderse IJssel – konden vrachtvaarders naar het noorden koersen, naar de Friese en Saksische kusten, Scandinavië en de landen in het Baltische gebied. De Scheldemonding lag gunstig voor een korte oversteek naar Engeland. Onze kust- en binnenwateren speelden bovendien een belangrijke rol, omdat schippers, als het even kon, de volle zee probeerden te mijden.
Toch kon een handelsnetwerk zich eenvoudiger aan weerszijden van een zee dan in een moeilijk te doorkruisen landmassief ontwikkelen door het moeizame vervoer van goederen over land en het relatieve gemak waarmee dat over water mogelijk was. Dat verschijnsel trad zowel rond de Noordzee als rond de Oostzee op, waar een levendig scheepvaartverkeer tussen de omliggende havenplaatsen was ontstaan.
In het netwerk van handelsroutes in Noordwest-Europa speelde vooral de Rijn een belangrijke rol. Deze rivier vormde de voornaamste verbinding tussen de Alpenpassen, het Rijnland en de zee, maar was ook van belang voor handelsroutes naar het oosten. Vanaf het Rijnland kon Slavisch gebied bereikt worden over een landroute die langs de voet van het Middelgebergte en via Maagdenburg liep. Zuidelijker konden kooplieden via Regensburg de Donau bereiken. Door al deze routes ontwikkelde de Rijn zich tot het middelpunt van de Europese handel. Zodoende vormde de Rijndelta met binnenlandse verbindingen naar de Maas en de Schelde en overzee naar de tegenoverliggende Theemsmonding een belangrijk knooppunt van handelswegen met Dorestad als belangrijkste spil in dit netwerk.

Tolheffing
Op transport en handel werden belastingen geheven in de vorm doorgangs-, markt- en andere tollen. Tolheffing was vanouds een koninklijk recht waarvan de inkomsten aan de fiscus toekwamen. Vooral de grenstollen die speciaal voor de langeafstandshandel waren ingericht, vormden een aanzienlijke inkomstenbron voor de koninklijke schatkist. We vinden deze rijkstollen op belangrijke handelsroutes en in marktplaatsen, dus overal waar handelsactiviteiten ontplooid werden. In het noordwesten van het Frankische Rijk waren dat de belangrijkste havenplaatsen. Ze worden in een oorkonde uit 779 opgesomd: Rouen aan de Seine, Amiens aan de Somme, Quentovic aan de Canche en Dorestad aan de Rijn. In onze streken was er dus alleen in Dorestad een rijkstol te vinden. (42)
Het beheer van tollen werd doorgaans aan vertegenwoordigers van de koning, zoals graven, toevertrouwd. In de grote handelsknooppunten werden daartoe naar Romeins voorbeeld speciale rijksambtenaren, prefecten of wikgraven, aangesteld die de tolgelden moesten innen. Daarvan moesten ze een gedeelte, bijvoorbeeld een derde of de helft, aan de koning afdragen. De rest diende voor de instandhouding van het tolkantoor en hun eigen bezoldiging. In koninklijke havens was een afzonderlijk gezagsgebied waar een havenadministrateur verantwoordelijk was. Het tolwezen was goed georganiseerd. Er moesten behoorlijk wat tolgelden worden geïnd om het omvangrijke systeem waar een gedifferentieerd havenbestuur actief was, te kunnen rechtvaardigen.
In de grotere handelsknooppunten waren pakhuizen te vinden die de koninklijke ambtenaren van pas kwamen bij het innen van tol in natura. Tolplaatsen waren dus vanzelf plaatsen waar koninklijke depots te vinden waren. Dergelijke depots om de afgedragen goederen onder te brengen moeten er ook in de haven van Dorestad zijn geweest.
De kusten van het Frankische Rijk waren in toldistricten verdeeld. De prefect van Quentovic was verantwoordelijk voor de tolheffing van de grensoverschrijdende handel langs de hele Kanaalkust. Waarschijnlijk nam zijn collega in Dorestad het Nederlandse en Vlaamse kustgebied voor zijn rekening. Het was voor hem echter ondoenlijk om vanuit één centrale tolplaats in het uitgebreide waternet van de Lage Landen overal effectief controle uit te kunnen oefenen. Daarom moeten er ook koninklijke ontvangers actief zijn geweest op andere plaatsen, zoals bij mondingen van rivieren, die ondergeschikt aan Dorestad waren.
In een koninklijke verordening was opgenomen dat er alleen tol mocht worden geheven in plaatsen waar een markt werd gehouden. Bovendien werd bepaald dat bestaande tollen die niet in een officiële marktplaats gevestigd waren, opgeheven moesten worden. Tollen en markten waren dus nauw met elkaar verbonden. We leren hieruit dat er in de tolplaats Dorestad een officiële markt moet zijn geweest, ook al vinden we daar in de bronnen niets van terug.

Meten is weten. Vreemde kooplieden vertrouwden niet op de – door de Frankische koning gegarandeerde – waarde van munten. Ze wogen die liever met een kleine balans waarvan deze arm in het noordelijke havengebied van Dorestad is gevonden.

Marktrecht
De Frankische vorsten streefden ernaar handelsactiviteiten in marktcentra te concentreren. Daarom werd de verkoop van goederen in marktplaatsen verplicht gesteld. Handelaren moesten voortaan hun koopwaar op officiële markten aanbieden. Transacties daarbuiten, die de positie van marktcentra uitholden en zo de fiscus benadeelden, werden verboden.
Voor het houden van markten werd in de Karolingische periode een koninklijk marktrecht ingevoerd. Een nieuwe markt kon sindsdien alleen met koninklijke goedkeuring gesticht worden. Voor die tijd kon iedere grondeigenaar naar believen zijn eigen markt inrichten. Dat wil echter niet zeggen dat de koning zich niet eerder met het marktwezen bemoeide. Want door een wildgroei van markten – overal waar kooplieden elkaar troffen, ontstonden die – hielden de machthebbers nauwelijks nog controle over het handelsverkeer.
Koning Pippijn de Korte verstevigde halverwege de achtste eeuw door wetgeving zijn greep op de marktplaatsen binnen het Frankische Rijk. Hij verbeterde de infrastructuur, hervormde het muntstelsel, bood – uit eigenbelang – marktbezoekers de helpende hand en trachtte hun bescherming tegen overvallers te bieden. Voor die veiligheid moesten bezoekers wel een heffing betalen. Bovendien werden er vaste regels ingevoerd, bijvoorbeeld met betrekking tot het gebruik van rechtsgeldige maten en gewichten. Koninklijke handelsplaatsen, zoals Dorestad, profiteerden volop van deze wetgeving die bijdroeg aan het stroomlijnen van het handelsverkeer.

Langsax, een enkelsnijdend slag- en steekwapen uit de achtste eeuw, gevonden in Wijk bij Duurstede.

Noten
(1) Het type 'stekelvarken I' ontbreekt nagenoeg en het type stekelvarken II is ondervertegenwoordigd (Dijkstra, Het domein van de boer, 258).
(2) procuratores reipublice (Muller & Bouman, Oorkondenboek Utrecht, no. 56).
(3) Ypey, 'A Sword with Damascened Blade', 203.
(4) Van Es, 'Gedachten over Dorestads functie', 187, 183-184.
(5) De enige uitzondering zou koning Dagobert III zijn die volgens een onwaarschijnlijk relaas uit de tiende eeuw Dorestad zou hebben bezocht.
(6) Van Es, 'Gedachten over Dorestads functie', 186.
(7) Van Es, 'Gedachten over Dorestads functie', 188.
(8) Theuws, 'River-based trade centres', 36.
(9) Van Es & Verwers, 'Handel in Karolingische potten', 186-187.
(10) Van Es, 'Dorestad centred', 169.
(11) Theuws, 'River-based trade centres', 40.
(12) Verhoeven, Middeleeuws gebruiksaardewerk, 269-270.
(13) Theuws, 'River-based trade centres', 30.
(14) Rau, 'Annales Fuldenses', Quellen III, 22.
(15) Van Es, 'Gedachten over Dorestads functie', 182.
(16) Mostert ‘Bonifatius’, 216.
(17) Muller & Bouman, Oorkondenboek Utrecht , no. 40.
(18) Muller & Bouman, Oorkondenboek Utrecht , no. 43.
(19) Muller & Bouman, Oorkondenboek Utrecht , no. 47, 48, 50, 56, 61, 88; Zeumer, 'Formulae', 315; Kehr, 'Die Urkunden Ludwigs des Deutschen', 207.
(20) Muller & Bouman, Oorkondenboek Utrecht , no. 56; zie ook: Dekker, Het Kromme Rijngebied, 283.
(21) Mühlbacher, 'Die Urkunden der Karolinger', no. 56.
(22) Muller & Bouman, Oorkondenboek Utrecht, no. 49.
(23) Mühlbacher, 'Die Urkunden der Karolinger', no. 117.
(24) Ganshof, Het tolwezen, 48-49.
(25) Dekker, Het Kromme Rijngebied, 287.
(26) Dümmler, 'Alcuini Carmina', 221.
(27) Voor het meervoud van Quentovic, zie: Blok & Koch, 'De naam Wijk bij Duurstede', 47; voor het meervoud van Walacria, zie: Bethmann, 'Gesta episcoporum Cameracensium', 466 en Rau, 'Annales Bertiniani', Quellen II, 54.
(28) Williams, 'Wijk bij Duurstede, De Geer II', 25-30.
(29) Spufford, Money, 43-44.
(30) Levison, 'Vita Bonifatii', 121.
(31) Wessely, Livius Codex, fol. 193.
(32) Holder Egger, 'Liudgeri Vita Gregorii', 71.
(33) Van der Tuuk, De Friezen, 138.
(34) Theuws, De Sleutel, 15.
(35) Mühlbacher, 'Die Urkunden der Karolinger', no. 117.
(36) Van Vliet, In kringen van kanunniken, 115-116.
(37) Muller & Bouman, Oorkondenboek Utrecht, no. 35.
(38) Van Es, 'Friezen, Franken en Vikingen', 91.
(39) Koch, 'Phasen', 194.
(40) Quak, ‘Zum Namen Dorestad’, 255.
(41) Dekker, Het Kromme Rijngebied, 32.
(42) Mühlbacher, 'Die Urkunden der Karolinger', no. 122.

Literatuur
Bethmann, L.C. (ed.), 'Gesta episcoporum Cameracensium', Monumenta Germaniae Historica, Scriptores 7 (Hannover 1846), 393-525.
Blok, D.P. & Koch, A.C.F., 'De naam Wijk bij Duurstede in verband met de ligging der stad', Naamkunde 40 (1964), 38-51.
Dekker, C., Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen (Zutphen 1983).
Dijkstra, J. (ed.), Het domein van de boer en de ambachtsman. Een opgraving op het terrein van de voormalige fruitveiling te Wijk bij Duurstede: een deel van Dorestad en de villa Wijk archeologisch onderzocht. ADC Monografie 12 (Amersfoort 2012).
Dümmler, E. (ed.), 'Alcuini Carmina', Monumenta Germaniae Historica, Poetae Latini aevi Carolini I (Hannover 1881).
Es, W.A. van, 'Gedachten over Dorestads functie', Westerheem 29 (1980), 174-189.
Es, W.A. van, 'Friezen, Franken en Vikingen', W.A. van Es & W.A.M. Hessing (eds.), Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland (Utrecht/Amersfoort 1994), 82-119.
Ganshof, F.L., Het tolwezen in het Frankisch rijk onder de Karolingen (Brussel 1959).
Holder-Egger, O. (ed.), ‘Liudgeri Vita Gregorii abbatis Traiectensis’, Monumenta Germaniae Historica Scriptores 15-1 (Hannover 1887), 63-79.
Koch, A.C.F., 'Phasen in der Entstehung von Kaufmannsniederlassungen zwischen Maas und Nordsee in der Karolingerzeit', Tussen Vlaanderen en Saksen: Uit de verspreide geschiedkundige geschriften (Hilversum 1992), 191-206.
Levison, W. (ed.), 'Vita Bonifatii auctore Willibaldo', Vitae Sancti Bonifatii Archiepiscopi Moguntini, Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum ex Monumentis Germaniae Historicis separatim editi (Hannover/Leipzig 1905), 1-58.
Mostert, M., ‘Bonifatius als geschiedvervalser’, Madoc 9-3 (1995), 213-221.
Mühlbacher, E. (ed.), 'Die Urkunden der Karolinger, Die Urkunden Pippins, Karlmanns und Karls des Grossen', Monumenta Germaniae Historica (Berlijn 1956).
Muller Fz., S. & Bouman, A.C., (eds.), Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301 I (Utrecht 1920).
Quak, A., ‘Zum Namen Dorestad’, Namenwelten Orts- und Personennamen in historischer Sicht 44 (Berlijn/New York 2004), 252-260.
Rau, R. (ed.), 'Annales Bertiniani', Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte II, (Darmstadt 1958), 11-287.
Rau, R. (ed.), 'Annales Fuldenses', Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte III, (Darmstadt 1960), 19-177.
Spufford, P., Money and its use in Medieval Europe (Cambridge 1988).
Theuws, F., De sleutel van Sint Servaas. Uitwisseling, religie, identiteit en centrale plaatsen in de Vroege Middeleeuwen (Amsterdam 2003).
Theuws, F., 'River-based trading centres in early medieval northwestern Europe. Some 'reactionary' thoughts', Gelichi, S. & Hodges, R. (eds.), From one sea to another. Trading places in the European and Mediterranean Early Middle Ages (Turnhout 2012), 25-45.
Tuuk, L. van der, De Friezen. De vroegste geschiedenis van het Nederlandse kustgebied (Utrecht 2013).
Verhoeven, A.A.A., Middeleeuws gebruiksaardewerk in Nederland (8ste – 13de eeuw) (Amsterdam 1998).


Manuscript van het gedicht van Alcuin met de passage over Dorestad groen aangegeven. Parijs, Bibliothèque nationale de France.

Vliet. K. van, In kringen van kanunniken. Munsters en kapittels in het bisdom Utrecht 695-1227 (Zutphen 2002).
Wessely, C. (ed.), Livius Codex Vindobonensis Lat. 15: phototypice (Leiden 1907).
Williams, G.L., 'Wijk bij Duurstede, De Geer II. Een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven', ADC Rapport (Amersfoort 2010).
Ypey, J., 'A Sword with Damascened Blade from Dorestad, Hoogstraat I', Es, W.A. van & Verwers, W.J.H., Excavations at Dorestad 1 - The Harbour: Hoogstraat I (Amersfoort 1980), 190-206.

Begin van de pagina

Startpagina