Dorestad

onthuld
Pakhuizen in het noordelijke havengebied

Startpagina

terug naar het overzicht
van het noordelijke havengebied

tufstenen gewicht


In de Karolingische kadezone zijn rijen zware eiken palen aangetroffen, die regelmatiger geplaatst waren en zich over grotere afstanden uitstrekten dan in het oudste bebouwde gedeelte van het beddinggebied. Tussen twee rijen palen die doorgaans dicht bij de zijbeschoeiingen van de dammen stonden, waren twee of drie rijen palen gevoegd. De rijen waren regelmatig geordend in een reeks van soms tientallen dwarsrijen, die haaks op de kade stonden. De afstand tussen de rijen is meestal drie meter of meer, die van de palen van een rij onderling tussen twee en drie meter. Dergelijke tussenruimtes zijn te groot om deze palen als de staanders van huiswanden te beschouwen. Ze moeten eerder, gezien hun diameter van vaak 30 centimeter, deel hebben uitgemaakt van de onderbouw van een zwaardere structuur. Daarbij moeten we in de eerste plaats aan gebouwen op palen denken, zoals die ook in de laat-Merovingische beddingzone opgetrokken waren. Gezien het vaak forse aantal palenrijen, moeten dat lange gebouwen - waarschijnlijk opslagloodsen - geweest zijn met grondoppervlakten van tientallen vierkante meters. Misschien waren deze lange gebouwen opgebouwd uit een reeks kleinere eenheden. Een stel spiekers tegen elkaar aangebouwd, zogezegd. Zo'n ontwikkeling zou goed passen bij de geleidelijke verlenging van de dammen.
Badorf tuitpot


Het palenpatroon in de haven van Dorestad komt sterk overeen met een dergelijke rangschikking in de depotplaatsen Flögeln en Dalem in Noord-Duitsland. Opslagloodsen met een soortgelijke omvang komen in orde van grootte overeen met sommige Romeinse horrea die voor militair gebruik opgericht waren.

Er lijkt een verband te bestaan tussen de positie van de eikenhouten staanders en de essenhouten palen die deel uitmaakten van de beschoeiing van de dammen. Het ligt voor de hand dat er, voordat een dam werd uitgebreid, eerst palen in de rivierbedding werden gedreven ten behoeve van een uitbreiding van de onderbouw van wat we als pakhuizen interpreteren. Zo kon er met een damuitbreiding eventueel een sectie aan de onderbouw worden toegevoegd. Deze werkwijze had het voordeel dat er steeds opslagruimte vlak bij de aanlegplaats van de schepen beschikbaar bleef.

Met een dambreedte van hooguit zeven meter, kan in veel gevallen niet meer dan een bescheiden looppad naast ieder gebouw zijn overgebleven. Een typisch pakhuis met vijf ondersteunende palenrijen nam zelfs de hele breedte van een dam in beslag. Als de opbouw ook nog eens uitkraagde, dan moet die hoog genoeg geweest zijn om er minstens onder door te kunnen lopen. Als er wel genoeg ruimte was om nog langs de bouwwerken te kunnen lopen, dan kan de hoogte van de onderbouw een compromis geweest zijn. Hoger betekende een slechtere toegankelijkheid en meer gesjouw met goederen, terwijl lager het gevaar van schade door hoogwaterstanden en ijsgang vergrootte. Hoe de hoger gelegen vloer precies bereikt konden worden, is niet bekend. We kunnen hooguit vaststellen dat voor de toegankelijkheid een hellingbaan, zoals die wel bij Romeinse horrea gebruikt werden, praktischer was dan een trap of een ladder. In enkele gevallen lijkt een rij palen die heel dicht bij de laatste rij stond voor een toegangsconstructie heeft gediend, misschien als ondersteuning van een laadplatform.

We hebben geen aanwijzingen hoe we ons de opbouw moeten voorstellen, maar vermoedelijk werden er zware balken gebruikt voor de liggende constructie die op de onderbouw rustte. Als de palen van de onderbouw alleen maar dienden als ondersteuning en niet tegelijk de staanders van de opbouw vormden - zoals bij Zuid-Amerikaanse palafito - dan moet er wel een deugdelijke verbinding geweest zijn voor een stabiele en stormbestendige plaatsing van de opbouw. Dan waren er ook windverbanden nodig om de wanden de nodige stabiliteit te geven. Verder kunnen we hooguit vermoeden dat er met stro bedekte daken en vlechtwerkwanden waren, waar de nodige openingen in zaten. Want landbouwproducten, zoals graan, moesten in een geventileerde ruimte opgeslagen worden. Die openingen waren afgedekt met vlechtwerk om de opslagplaatsen zoveel mogelijk van ongedierte vrij te houden. Het is niet onmogelijk dat de pakhuizen een verdieping hadden, ook al ligt dat niet voor de hand. Zolang er voldoende kaderuimte was, zal men verticaal transport van goederen immers zoveel mogelijk vermeden hebben.


Links is het palenpatroon (rood) van een pakhuis op dam 5a uit de Karolingische zone van het opgravingsterrein Hoogstraat I weergeven. De groengekleurde palen maakten deel uit van de beschoeiing van de dam die zelf geel is aangeduid.


maquette van een pakhuis, gebaseerd op het palenpatroon dat hierboven is weergegeven

Hoewel de gevels die naar de rivier gekeerd waren bepaald geen gesloten rij vormden, lijken de meeste dammen toch wel met een pakhuis aan de rivierzijde bezet te zijn geweest. Achter dit front van gebouwen maakten de dammen een meer open indruk, want die waren op veel plaatsen onbebouwd gebleven. Er ontstaat een beeld van onregelmatig geplaatste, langwerpige barakachtige gebouwen die de depotfunctie van Dorestad onderstrepen. Waren die alleen maar in gebruik als pakhuizen, voor de opslag van goederen van de schippers die de rivierhaven aandeden? Vondsten van goederen die duidelijk voor de handel bestemd waren, zijn minstens zo talrijk als in de laat-Merovingische beddingzone. Sterker nog, van het importaardewerk dat als de belangrijkste archeologische indicator voor de langeafstandhandel beschouwd kan worden, werd in het Karolingische kadegebied minstens tien maal zoveel teruggevonden als in de laat-Merovingische beddingzone. Het handelsvolume moet aanzienlijk geweest zijn. Het is duidelijk dat de uitbreidingen van de Karolingische handelszone in de hoogtijdagen van Dorestad zijn ontstaan. Dat was in een periode waarin de Utrechtse kerk de haven exploiteerde. De kerk was tegelijk een machtige grondbezitter die behoefte had aan depotruimte voor landbouwoverschotten. Bovendien was Dorestad een koninklijk handelsknooppunt, waar belastingen deels in natura aan de fiscus voldaan werden. Al die goederen moesten worden opgeslagen. Het is dan ook niet zo vreemd dat er in betrekkelijk korte tijd zoveel opslagcapaciteit werd gebouwd.


Boven is een reconstructie afgebeeld van het pakhuis waarvan het palenpatroon op deze pagina is weergegeven. Acht rijen van vijf palen ondersteunden een gebouw met een lengte van 17,5 meter en een breedte van 7,2 meter. Voor de opbouw is gebruikt gemaakt van gegevens van een gebouw uit de tweede helft van de negende eeuw uit de handelsplaats Hedeby (huis 7), waarvan zelfs een omgevallen topgevel en ander constructiedelen in de drassige bodem bewaard waren gebleven. De wandhoogte van twee meter en de dakhelling van 40 graden zijn hiervan afgeleid. Intensieve commerciële en culturele contacten maken het aannemelijk dat er veel overeenkomsten tussen de huizen in Dorestad en Hedeby bestonden.


de gevel in Hedeby die als voorbeeld diende voor reconstructie van de opbouw
Begin van de pagina

Startpagina