Dorestad

onthuld
Het Karolingische kadegebied

Startpagina

terug naar het overzicht
van het noordelijke havengebied

scheepsnagel


De natuurlijke ondergrond van deze zone wordt gekenmerkt door het voorkomen van karakteristieke scheefgelaagde kronkelwaardafzettingen die de jaarlijkse hoogwaterstanden weerspiegelen. Deze zandige sedimenten werden vanaf het eerste kwart van de achtste eeuw in een snel tempo afgezet. Daardoor moesten de dammen in dit gebied betrekkelijk snel uitgebreid worden, zoals ook blijkt uit de relatief grote compartimenten waaruit deze bestaan. Importaardewerk uit de tweede helft van de achtste eeuw komt plaatselijk massaal in de ondergrond voor. Verspreid voorkomende munten zijn voornamelijk van Karel de Grote na de hervorming van 793/794 en van zijn zoon Lodewijk de Vrome. Samen met de uitkomsten van C14-dateringen wijzen deze gegevens erop dat dit kadegebied vanaf het midden van de achtste eeuw werd ontwikkeld, vanaf het moment waarop de Utrechtse kerk het noordelijke havenkwartier begon te exploiteren. De tot de Utrechtse kerk behorende oeverpercelen waren onder de aan de kerk onderhorige handelaren en ambachtslieden verdeeld.

zilveren gesp en gespplaat met grijpende dieren

het Karolingische kadegebied
van Hoogstraat I

Ambachtelijke productie
De resten die op ambachtelijke productie wijzen, zijn niet erg uitbundig in de ondergrond aangetroffen, ook al ontbreken ze niet. Smederijen, pottenbakkerswerkplaatsen en andere nijverheid waarbij vuur gemaakt werd, waren niet geheel zonder risico. De vaak dicht op elkaar gebouwde pakhuizen konden brandgevaar opleveren. Wat dat betreft was het gunstig dat veel dammen onderling door greppels gescheiden waren.
Het is opvallend dat er nauwelijks kledingaccessoires en haarspelden in het beddinggebied zijn teruggevonden. Dat doet vermoeden dat er geen complete huishoudens gewoond hebben, maar het is natuurlijk goed mogelijk dat er wel eens handelaren en ambachtslieden op de zolder boven hun nering sliepen. Slaapplaatsen in pakhuizen waren in de middeleeuwen niet ongewoon. Het vrijwel volledig ontbreken van waterputten wijst er eveneens op dat hier nauwelijks gewoond werd, hoewel daar nabij de rivieroever vanzelfsprekend minder behoefte aan was. In andere delen van Dorestad werden juist een heleboel waterputten aangetroffen. Het aantal was daar zelfs vele malen groter dan van de teruggevonden huisplattegronden.
De kooplieden die door hun vakbroeders uit Dorestad ontvangen werden, komen we tegen in een oorkonde die door keizer Lodewijk de Vrome in Aken bekrachtigd werd. Daarin werd bepaald dat koninklijke beambten vreemde kooplieden die de oeverzone van de onderhorigen van de Utrechtse kerk betraden, geen strobreed in de weg mochten leggen. Waarschijnlijk hebben zij hun tenten op onbebouwde gedeeltes van de handelskades opgezet en er hun potje gekookt. De bewoners van Dorestad zullen hun gasten niet alleen logies- maar ook opslagfaciliteiten hebben verleend. Er moet dan ook incidentele bewoning in het kadegebied hebben plaatsgevonden, vooral in het vaarseizoen. Enig ter plaatse aangetroffen huishoudelijk afval, zoals wat potscherven en slachtafval, wijst in die richting.

het noordelijke havengebied tijdens de opgravingscampagne
Terwijl de dammen werden uitgebreid, bleven de oudere gedeeltes natuurlijk nog wel in gebruik en werd bewoning in het oudste gedeelte van de beddingzone gecontinueerd. Dat verschijnsel deed zich ook voor in Hedeby, waar alleen het oudste gedeelte van de steigers bebouwd werd.


De laatste havenuitbreiding
De voortschrijdende vorming van bochten in de Kromme Rijn zorgde voor toenemende wateroverlast. Door steeds grotere meanders nam de lengte van de rivier enorm toe, waardoor het verval van de rivier juist kleiner werd en er steeds meer zand in de bedding werd gesedimenteerd. Het gevolg was dat het waterpeil 's winters steeds hoger kwam, zoals ook blijkt uit het niveau van grove rivierafzettingen ten oosten van het Karolingische kadegebied. Die kwamen vaak boven 4m +NAP, soms zelfs nog een meter hoger. Deze afzettingen vormden een verhoogde kronkelwaardrug, waarachter het kadegebied als een sikkelvormige depressie in de kronkelwaard lag opgesloten. Bij hoge waterstanden liep de hele beddingzone telkens onder water. Die bleef dan achter de hoge kronkelwaardrug een hele tijd blank staan en was daardoor langdurig onbruikbaar. Soms hielden zelfs de bewoners van de relatief hoge oeverzone geen droge voeten meer. Langzaam werd de situatie in het noordelijke havengebied en vooral in de beddingzone onhoudbaar, zoals blijkt uit de manier waarop voortaan de kadeconstructies werden uitgebreid. Op enkele plaatsen aan het einde van de dammen, in het bijzonder in de opgravingsterreinen Hoogstraat II en IV, zijn deze opgebouwd met primitief geconstrueerde beschoeiingen die forse - soms meer dan vijf meter lange - compartimenten omvatten. Uit de vluchtige en ge´mproviseerde werkwijze blijkt dat men de dammen in relatief korte perioden van laag water moest uitbreiden. Sommige dammen zijn aan een zijde verbreed, waarmee de strakke perceelindeling doorbroken werd. Noodgedwongen moest de grond voor deze grote compartimenten vooral uit de naastgelegen stroken worden geschept, waardoor plaatselijk prominente greppels ontstonden. Zware eiken palen ontbreken hier, zodat het aannemelijk is dat dit gedeelte onbebouwd is gebleven. Blijkbaar was er door de periodiek terugkerende wateroverlast geen animo meer om de kades te bebouwen. Aan het handelsvolume zal het niet gelegen hebben, want Dorestad bloeide als vanouds. Muntvondsten duiden zelfs op een piek in de vroege negende eeuw. Toch kwam er kort na 800 een definitief einde aan de havenuitbreidingen, hoewel de kades nog tientallen jaren in gebruik bleven, zo goed en zo kwaad als dat ging. Halverwege de negende eeuw gaven de Karolingische vorsten Dorestad in leen aan Deense krijgsheren. Die heersten over de handelsplaats maar ontplooiden geen bouwactiviteiten in het noordelijke havengebied. Met de komst van de Denen was de Utrechtse kerk niet meer actief in Dorestad. In de tweede helft van de negende eeuw gaven de bewoners van het grootste deel van het havengebied het op en trokken definitief weg.
De hoge waterstanden gingen gepaard met erosie die op verschillende plaatsen, maar vooral in het meest zuidelijke deel van de haven, in opgraving Hoogstraat III, werd waargenomen. Op deze plaats, helemaal aan het begin van de rivierbocht, had zich geen hoge kronkelwaardrug gevormd. De mogelijkheden voor havenactiviteiten waren hier dan ook nog het beste, ook al bleef dit deel niet gespaard van wateroverlast. Daardoor hebben we alleen op deze plaats met een zekere mate van bewoningscontinu´eteit te maken, zij het dat de bewoningsconcentratie wel lager was dan in de hoogtijdagen van Dorestad. Dat geldt ook voor het terrein in de omgeving van de huidige Steenstraat, direct ten westen van dit gedeelte van de beddingzone, waar een grote concentratie laatmiddeleeuwse dakleien werd aangetroffen.
In het opgravingsterrein Hoogstraat III werden bewoningssporen en objecten teruggevonden die na de negende eeuw, na het einde van Dorestad als handelsknooppunt dateren. Er doken allerlei nederzettingssporen uit die tijd op, zoals kuilen, geulen en enige waterputten - er zijn geen sporen van gebouwen zelf aangetroffen. De houten vaten die voor twee waterputten waren gebruikt, stamden uit de tweede helft van de twaalfde eeuw toen de Kromme Rijn afgedamd was en geen overstromingsgevaar meer opleverde. In de loop van de tiende en elfde eeuw nam het debiet van de Kromme Rijn nog verder af. Uiteindelijk kwam de rivier tot rust. De verlaten havenconstructies waren ondertussen met kleiige afzettingen afgedekt.

Begin van de pagina

Startpagina