Dorestad

onthuld
Lote

Startpagina


Veldpoortstraat waarop vanouds de Hoogstraat en de Steenstraat aansloot


Uit archeologisch onderzoek blijkt dat de linkeroever van de Rijn op de plaats van de handelsnederzetting Dorestad voor vroegmiddeleeuwse begrippen dicht bevolkt was. Ruimtegebrek zal de voornaamste reden voor landwinning in het noordelijke havengebied van Dorestad geweest zijn. Het ligt dan voor de hand dat de bewoners soms naar de overkant van de rivier uitweken. Vermoedelijk verrees er dan ook op de rechteroever tegenover Dorestad bebouwing, ook al zijn daarvoor geen archeologische aanwijzingen voorhanden.

Drie kerken?
Toch zijn er enkele vage aanwijzingen in schriftelijke bronnen dat er een nederzetting tegenover Dorestad verrees. We kennen uit het goederenregister van de Utrechtse kerk de nederzetting Lote waar drie kerken met bijbehorende landerijen en nog zeven hoeven te vinden waren. Uit de plaats die Lote in deze lijst inneemt, kunnen we afleiden dat die ergens in de buurt van Wijk bij Duurstede gezocht moet worden.

Het aantal van drie kerken springt meteen in het oog. Ook bij Rijswijk, dat een zin eerder in het goederenregister genoemd wordt, is in de Latijnse tekst sprake van kerken in meervoudsvorm. Maar het bijbehorende eandem staat weer in het enkelvoud. Hier is blijkbaar bij het overschrijven van het oorspronkelijke document iets mis gegaan. De kerken in Lote staan vreemd genoeg in de accusatief, in tegenstelling tot andere plaatsen die in de lijst genoemd worden. Het lijkt wel alsof er een stukje tekst is weggevallen. Dan ligt het ook voor de hand dat we twee van de drie kerken bij andere plaatsen dan Lote moeten zoeken. Het is zelfs denkbaar dat we Lote helemaal moeten loskoppelen van de genoemde kerken. Daarmee kunnen we ons afvragen of we uit de verminkte overlevering van het betreffende stukje tekst in het Utrechtse goederenregister wel kunnen opmaken of er ooit een kerk in Lote geweest is.

De nederzetting Lote kunnen we identificeren met het toponiem Leut dat we tegenwoordig nog in de naam Leuterveld aan de overzijde van de Kromme Rijn, ten oosten van Wijk bij Duurstede, terugvinden. Het Leuterveld heeft de gehele middeleeuwen door enige zelfstandigheid ten opzichte van Wijk weten te bewaren. Het Leuterveld vormde een ander gerecht, maar ook een andere waterschap dan Wijk. Aan het begin van de veertiende eeuw komen we in Wijk personen tegen, zoals Arnt Steil van Loete, Petrus van Lote en zijn zoon Andreas van Lo(u)te. Later in dezelfde eeuw worden toponiemen, zoals Loet en Luet genoemd. Toen was het Leuterveld de benaming voor zowel een oeverstrook langs de rivier als de achterliggende ontginning. Eerder werd hiermee alleen de ontginning van het gebied ten oosten van de nederzetting Leut bedoeld.

Op zoek naar een verlande rivierbedding
Om Leut te kunnen lokaliseren is het vooral van belang dat de voormalige loop van de Kromme Rijn in kaart kan worden gebracht. De verlande bedding van de rivier die aan het begin van de twaalfde eeuw met de 'Rij(n)sdijck' werd afgedamd, zou onder de donjon die de heren van Abcoude in de late dertiende eeuw lieten bouwen, teruggevonden zijn. Want de woontoren werd op de slappe ondergrond op tenen vlechtwerkmatten gefundeerd, terwijl het terrein aanzienlijk werd opgehoogd om het bewoonbaar te maken. Het ligt echter meer voor de hand dat de donjon op de nog jonge en kleiige oeverwal gebouwd is. De restgeul kon ter plaatse deels voor de omgrachting worden gebruikt. Waarschijnlijk liep er nog een tweede restgeul ten oosten van de sterkte die dan eveneens bij de omgrachting betrokken werd.

de Leuterpoort waarop de molen 'Rijn en Lek' gebouwd is;
deze poort leidde naar de buurtschap Leut die teruggaat op het vroegmiddeleeuwse Lote
De - deels hypothetische - situatie is hiernaast weergegeven.
Bij de Achterstraat werden delen van de linker- en bij het Walplantsoen en Langs de Rijn werd een stuk rechteroever teruggevonden. In de beddingen werd verspoeld aardewerk vanaf de Karolingische periode aangetroffen dat blijkbaar door de rivier meegevoerd was. Geërodeerde bewoningssporen bij de Achterstraat tonen aan dat de rivier hier tot de vroege twaalfde eeuw actief was en de bebouwing op de linker oever door afkalving van de oever bedreigd heeft.

donjon van
de heren van Abcoude

Waarschijnlijk is de westelijke buitengracht (die ongeveer het tracé van de huidige Singel volgt) het gekanaliseerde restant van de westelijke en laatst actieve tak van de Kromme Rijn. Deze restgeul werd deels opgevuld, zodat ter plaatse een bruikbaar terrein voor bebouwing ontstond. De oostelijke tak - een restant van een vroegere rivierloop - werd vergraven tot de Arkgracht. Deze watergang vormde de oorspronkelijke oostelijke stadsgracht uit het begin van de veertiende eeuw totdat de omwalling van Wijk naar het oosten verlegd werd.
Zoals de Kromme Rijn ooit een barrière tussen Wijk en het Leuterveld was, bleef het tracé van de afgedamde en grotendeels verlande rivier de grens tussen de gelijknamige gerechten vormen. Het gebied van Wijk tussen de oude rivierarmen was in de veertiende eeuw in handen van de heren van Abcoude, terwijl Jan van Woudenberg door de bisschop van Utrecht met Leut was beleend. Want in tegenstelling tot Noorderwaard op de linker Rijnoever - het oorspronkelijke noordelijke havengebied van Dorestad - had niet de proost van Oudmunster, maar de bisschop goederen op de rechter Rijnoever. In de veertiende eeuw behoorden daartoe het goed Rijningen (44 morgen), het goed Ter Cule (27 morgen) en nog 6 morgen die niet tot een bepaald goed behoorden. De 77 morgen landbouwgrond komt overeen met ongeveer vijf hoeven. In de goederenlijst van de Utrechtse kerk werden nog zeven hoeven genoemd. Misschien was er door wijzigingen in de rivierloop landbouwgrond verloren gegaan.

Zweder van Abcoude en Jan van Woudenberg
Over de grens tussen Wijk en het Leuterveld komen we nadere bijzonderheden te weten in een uitspraak die de bisschop in 1309 deed in een geschil tussen Zweder van Abcoude en Jan van Woudenberg over de uitoefening van de rechtsmacht in het Lottervelde, de visserij en de zwaandrift (het recht om zwanen te houden) in de Kromme Rijn en het recht van voorkoop (eerste koop) van vis op 'De Ark'. Uit de bisschoppelijke uitspraak blijkt dat De Ark tot het Leuterveld gerekend werd of op zijn minst hiermee in verband moet worden gebracht. Door de rechten van Jan van Woudenberg op het Leuterveld kon De Ark in 1300 niet bij de stadsuitbreiding van Wijk getrokken worden.
Pas in 1345, nadat Zweder II van Abcoude het gerecht in het Leuterveld in leen had gekregen, kon de stad Wijk met een tweede omwalling naar het zuidoosten over de kronkelwaard 'Het Oever' uitgebreid worden. Vijf jaar eerder werd hij al met De Ark beleend, een actie die we als een opmaat van de op handen zijnde stadsuitbreiding, de 'Nye Poorte', kunnen beschouwen. Dat wordt bevestigd door de in de oorkonde genoemde en nog te maken omwalling. Deze versterking met de Leutertoren en de Leuterpoort lag dus in het oorspronkelijke gebied van het Leuterveld.
Dat de oostelijke stadsgracht door het gerecht van Leut werd gegraven, blijkt uit een erfpachtbrief van het kapittel van Oudmunster uit 1410 (nr. 1271-1, RA Utrecht), waarin is opgenomen: lant in Leutergerichte daer die graft van Wyck opt een eynde duer gegraven is.
De Arkgracht kwam midden in de stad te liggen en verloor daardoor de functie als verdedigingswerk. De gracht - op de plaats van de huidige Mazijk - werd gedempt. Het noordelijke deel van de Arkgracht werd overkluisd en bleef daarna ondergronds als afvoer in gebruik.

de schilderachtige Mazijk waar vroeger de Arkgracht te vinden was


Haaks op de centrale as van de omwalde stad, de huidige Volderstraat-Markt liep de Veldpoortstraat-Leuterstraat, waarop in het westen de al bestaande Steenstraat en Hoogstraat en in het oosten de bebouwing in het Leuterveld aansloot. Het oorspronkelijke Lote uit de Utrechtse goederenlijst moeten we echter niet direct buiten de oorspronkelijke omwalling zoeken. Het register werd aan het begin van de tiende eeuw opgesteld, maar bevat gegevens die teruggrijpen op de eerste helft van de negende eeuw of vroeger, op een periode dat de Rijn op de plaats stroomde waar honderden jaren later de oostelijke stadsuitbreiding zou verrijzen. De oorspronkelijke nederzetting Lote moeten we dus oostelijker dan de stadsuitbreiding zoeken. Dat blijkt ook uit de bewoningssporen en aardewerkscherven uit de late tiende en de elfde eeuw die in het noordoostelijke deel van de binnenstad en vlak daarbuiten zijn teruggevonden. Vroegere sporen werden hier niet aangetroffen omdat de Rijn hier toen nog stroomde.
De houten palen die in 2001 in de bedding nabij de rechteroever op het terrein van het voormalige tuincentrum Jolice zijn aangetroffen, lijken geen deel van een Karolingische oeverversterking of havenconstructie uit te maken. Bij een wat grootschaliger vervolgonderzoek zijn hiervan in ieder geval geen sporen meer aangetroffen.

Literatuur:

Blok & Koch, 'De naam Wijk bij Duurstede', 40-41

Dekker, 'De dam bij Wijk'

Dekker, Het Kromme Rijngebied, 115-117, 294, 500-501

Van Doesburg, 'Over de Muur', 86-88


Begin van de pagina

Startpagina