Dorestad

onthuld
De Utrechtse kerk

Startpagina

bronzen sleutel


Met de groei en bloei van Dorestad kwam het zwaartepunt in de Benedenstad te liggen. In een oorkonde van Karel de Grote werd de Bovenkerk al ten opzichte van de Benedenstad gepositioneerd. Voor uitbreiding van de handelskades langs de oevers van de Bovenstad was waarschijnlijk geen plaats meer. Bovendien stond een deel van de Bovenstad met de burcht aan riviererosie en beddingverleggingen bloot.

Bulkhandel
Door betere landbouwmethoden en groei van de boerenbevolking kwamen er in de Karolingische periode steeds meer agrarische overschotten vrij. Er werden daardoor in toenemende mate gebruiksgoederen in bulk verhandeld in plaats van de traditionele luxe handelswaar. Door deze bulkhandel konden kooplieden niet meer volstaan met alleen maar een ontmoetingsplaats. Ze hadden behoefte aan een stapelplaats nu ze met schepen vol goederen kwamen die ze tijdelijk moesten opslaan. We zien dan ook de havenconstructies in de Benedenstad vanaf de vroege achtste eeuw zienderogen uitbreiden.
Met het groeien van het belang van Dorestad zal de lokale elite er alles aan gedaan hebben om haar invloed op de handelsplaats te vergroten. Het is niet ondenkbaar dat zij op den duur een grotere greep op de commerciŽle activiteiten kreeg dan de koning. Met name de Oost-Frankische adel wist samen met de Keulse bisschop een aanzienlijke machtspositie in Dorestad te verwerven. Tegelijk kwamen er handelscentra buiten het machtsbereik van de Frankische koningen op.

benen fluit

De Utrechtse kerk
De langzamerhand ongrijpbare handel die gedeeltelijk buiten hun machtsgebied lag, en de greep van de lokale elite op de regionale handel noopten de Karolingische vorsten tot actie. Daarom schonken zij een substantieel gedeelte van Dorestad aan de Utrechtse kerk. Ofschoon het vervreemden van een deel van het ooit aaneengesloten koningsgoed Dorestad de handelsplaats voor de vorst minder aantrekkelijk maakte, was deze begunstiging een noodzakelijke zet om de invloed van lokale machthebbers binnen de perken te houden. Hun kracht blijkt al uit de voor koning en kerk ongewenste scheiding van de wereldlijke bewoningskern Dorestad en het kerkelijk centrum Utrecht. Nog voor de opkomst van Dorestad tot een belangrijk handelsknooppunt werd Utrecht als kerkelijk centrum gekozen. Dit blijkt door het snelgroeiende belang van Dorestad - achteraf gezien - een ongelukkige keuze te zijn geweest. Maar de toekenning van bestuurlijke functies aan Dorestad viel niet meer tegen te houden. Toch waren wereldlijke en kerkelijke functies niet helemaal strikt tussen Dorestad en Utrecht verdeeld. Bonifatius eerde God de Heer in Dorestad en volgens Rimbert, de biograaf van de missionaris Anskar, waren er 'tal van kerken, priesters en geestelijken' in de handelsplaats waar veel Denen en Zweden werden gedoopt.

Bonifatius

luxe glaswerk


Na de dood van Karel Martel in 741 traden zijn zonen Karloman en Pippijn de Korte in zijn voetsporen als hofmeiers van de Merovingische koning. Nadat Karloman in 747 in een klooster was getreden en zijn gebieden aan zijn broer had nagelaten werd Pippijn oppermachtig in het Frankische Rijk. Gesteund door de paus trok hij de macht volledig aan zich en zette de laatste Merovingische marionettenkoning Childerik III af.
Met de toenemende macht van Pippijn was de ster van Bonifatius hoog gerezen. In 732 was hij als aartsbisschop van Mainz aangesteld en als pauselijke legaat heeft hij in samenwerking met Pippijn ingrijpende kerkhervormingen doorgevoerd.

Immuniteit
Halverwege de achtste eeuw droeg Pippijn de Korte op nadrukkelijk verzoek van Bonifatius een tiende deel van alle koninklijke opbrengsten in het oorspronkelijke missiegebied van Willibrord aan de Utrechtse Sint-Maartenskerk over. Bovendien bevestigde Pippijn de immuniteit van alle goederen van de Utrechtse kerk. Dat betekent dat alle kerkelijke goederen gevrijwaard werden voor wereldlijke belastingheffing en onttrokken aan de gewone rechtspraak. De inwoners van deze gebieden stonden rechtstreeks onder bescherming van de kerk. In deze enclaves gold een verbod voor koninklijke gerechtsambtenaren om deze gebieden te betreden en recht te spreken, vonnissen ten uitvoer te leggen of andere dwangmaatregelen toe te passen. De kerk stelde hier zelf een advocatus of voogd aan die degenen die onder voogdijschap van de kerk stonden kon berechten. Pippijns kleinzoon Lodewijk de Vrome bevestigde dit privilege nog eens in 815, waarbij hij specifiek Dorestad noemde.

koning Pippijn de Korte

Uit: Oorkonde van Lodewijk de Vrome uit 815

hier is de originele tekst te vinden

Tevens wordt bepaald dat alle mannen van de kerk van Utrecht onder de voogdij en bescherming van die kerk staan, ook op de oeverzones in Dorestad. Niemand mag zich belastingen toe-eigenen of innen, kooplieden tegenhouden die hun oeverzones willen betreden, zich zonder hun toestemming in hun woningen vestigen en voor of na hun dood hun goederen ontnemen. Men dient degenen die zich op dat tiende deel en onder voogdij van de Sint-Maartenskerk bevinden op geen enkele wijze bij welke gelegenheid dan ook schade te berokkenen. Ook rijksgemachtigden mogen uit dit tiende deel niets ontvangen of onrechtmatig ten behoeve van de fiscus wegnemen, zoals ze dat ook nooit van de negen tiende delen zouden hebben ontvangen of weggenomen.

barnstenen brug van een snareninstrument


De Utrechtse goederen in Dorestad bleken nu te zijn omgezet in een geografisch begrensd gebied dat zich op de rivieroevers bevond. Van dit als handelszone op te vatten areaal ontving de kerk de volledige opbrengst. Het afgebakende gebied werd niet nader aangeduid, maar door de ligging van latere bezittingen weten we dat we die in de noordelijke havenwijk moeten zoeken. Daar bleek de Utrechtse kerk in de late middeleeuwen een domeinhof nabij de Steenstraat en een agrarisch goederencomplex direct ten noordwesten van het laatmiddeleeuwse stadje Wijk in handen te hebben die op vroegere bezittingen teruggaan. In de late middeleeuwen komen we deze kerkelijke goederen vooral op de Heul en in de Noorderwaard tegen, dus in de oorspronkelijke noordelijke handelswijk.
Lodewijk de Vrome specificeerde bovendien de onschendbaarheid van de bewoners van het territoir dat in handen van de Utrechtse kerk was. Koninklijke ambtenaren dienden degenen met rust te laten die op de rivieroevers van Dorestad onder bescherming van de Utrechtse kerk stonden. Dat konden onvrije handelaren of ambachtslieden zijn, 'mannen van de kerk' werden ze genoemd. Maar ook vreemdelingen konden afmeren zonder dat ze een afdracht aan de vertegenwoordiger van de koning verschuldigd waren. Blijkbaar werden er door de handelshuizen in Dorestad vaste persoonlijke handelscontacten met andere kooplieden onderhouden. Zo'n vreemdeling vond onderdak en opslagruimte bij zijn handelspartner. Deze gang van zaken werkte de langwerpige vorm van nederzettingen als Dorestad in de hand, want hierdoor moest er veel kaderuimte beschikbaar zijn. De uitbreidingen in de rivierbedding moeten dan ook een welkome aanvulling van de beschikbare ruimte geweest zijn.

De Bovenkerk
De Utrechtse belangen in Dorestad werden in de loop van de achtste eeuw nog eens aanzienlijk uitgebreid toen de Frankische heersers de aan Sint-Maarten gewijde Bovenkerk met alles wat aan die kerk toebehoorde aan de Utrechtse kerk schonken. Ook het tot de Bovenkerk behorende omliggende terrein, een nabij de kerk liggende waard tussen de Rijn en de Lek, alsmede het oeverrecht op de Lek kwam aan de Utrechtse kerk. Daarmee kreeg die een aanzienlijk deel van de Bovenstad in handen en kon zo, behalve de Rijnoever in de noordelijke havenwijk, ook de Lekoever gaan exploiteren.

bronzen beslagstuk


De Utrechtse kerk beschikte over twee samenhangende goederencomplexen: de Bovenkerk met omliggend terrein en een als handelszone aan te duiden gebied in de noordelijke havenwijk. Deze tweedeling komen we ook tegen in een latere goederenlijst van de Utrechtse kerk. Daarin vinden we weer de door Karel de Grote geschonken Bovenkerk met toebehoren, terwijl er bovendien sprake is van de opbrengst van het tiende deel van wat vicus (handelsplaats) genoemd wordt. Vicus of Wik was de oorspronkelijke naam van de Benedenstad.

tuitpot van Badorf aardewerk

begin van het Goederenregister van de Utrechtse kerk

hier is de originele
tekst te vinden

Lijst van goederen van de Sint-Maartenskerk te Utrecht die ooit door gelovigen aan de kerk zijn geschonken:
In Dorestad de kerk die Bovenkerk genoemd wordt, met alle toebehoren, landerijen, velden, weiden, wateren, waterlopen, visrechten. Dat alles tezamen met de waard tussen de Rijn en de Lek die naast de kerk van Sint-Maarten gelegen is, en de waard bij Beusichem nabij het dorp Rijswijk. Dat alles behoort aan Sint-Maarten. Van de bovengenoemde handelsplaats behoort het tiende deel van alle goederen aan Sint-Maarten.
[Ö] In het dorp Rijswijk de kerk met de bijbehorende landerijen en drie andere hoeven. In Leut drie kerken met bijbehorende landerijen en zeven andere hoeven die van koninklijke tienden zijn vrijgesteld.

versterkte woontoren van
het kasteel Duurstede, dat Gijsbrecht II van Zuylen van Abcoude of zijn vader Zweder omstreeks 1270 bouwde


Ook van het koningsgoed in Dorestad, dat niet aan de Utrechtse kerk was overgedragen, komen we aanwijzingen tegen. Want die bleken op den duur voornamelijk in handen van het Keulse aartsbisdom te zijn gekomen. Door de sleutelpositie die de Keulse bisschop Kunibert in de vroege zevende eeuw in het Frankische Rijk bekleedde, maakte de Keulse kerk al vroeg aanspraken op goederen in Dorestad. Maar de niet-aflatende steun aan de Utrechtse kerk van Bonifatius, die in de achtste eeuw in hofkringen zeer invloedrijk was, moet de macht van Keulen plaatselijk beperkt hebben. Aan de andere kant was de Keulse invloed blijkbaar nog zo groot dat de Utrechtse geestelijkheid zich niet in booming Dorestad heeft kunnen vestigen. Het ligt dan ook voor de hand dat schenkingen aan de Utrechtse kerk van goederen in Dorestad, zoals van de Bovenkerk, tot claims van de Keulse aartsbisschop hebben geleid.

De Nederhof
Misschien werd Keulen door de koning met andere goederen in Dorestad gecompenseerd. Want aan het begin van de elfde eeuw droeg de toenmalige aartsbisschop van Keulen de domeinhof Wijk, die hem eerder door keizer Otto III was geschonken, over aan de door hemzelf gestichte abdij van Deutz. De vroonhof van dit koninklijk domein kunnen we naar alle waarschijnlijkheid met de Nederhof bij de huidige Volderstraat identificeren. Behalve dit koningsgoed verwierf de aartsbisschop ook ten behoeve van de abdij van Deutz goederen die hem door gravin Adela van Hamaland waren overgedragen. Deze moeten oorspronkelijk eveneens deel van het koninklijk domein hebben uitgemaakt.

Terwijl de Utrechtse kerk prominent in het gebied nabij de Steenstraat, op de Heul en in de Noorderwaard aanwezig was, blijkt het overgebleven koningsgoed zich te concentreren op de plaats waar later het stadje Wijk zou verrijzen. De vroonhof die de abdij van Deutz in de dertiende eeuw weer van de hand deed, vormde het middelpunt van dit koninklijk domein. Het hele complex zou uiteindelijk in handen van Gijsbrecht II van Zuylen van Abcoude komen, die er kort na 1300 zijn eigen stadje Wijk stichtte en het van een omwalling voorzag. De noordelijke vestingwal zal naar alle waarschijnlijkheid de zuidelijke begrenzing van de goederen van de Utrechtse kerk gevormd hebben. Gijsbrecht of zijn vader Zweder bouwde omstreeks 1270 ten zuidwesten van het te stichten stadje een versterkte woontoren, de vierkante kern van het kasteel Duurstede waarvan de resten nog altijd aanwezig zijn. Doordat de meeste mensen zich langzamerhand binnen de wal gingen vestigen, raakte de bewoningskern nabij de Steenstraat vrijwel geheel ontvolkt. Uiteindelijk zou ook de parochiekerk binnen de wal als Sint-Janskerk herbouwd worden.


uitsnede van een blad
van het goederenregister
van de Utrechtse kerk
Wijk bij Duurstede vanaf de overkant van de Lek gezien
Begin van de pagina

Startpagina